Baby You’re Dynamite

Baby You’re Dynamite” is a song performed by Cliff Richard and was released as a single in early 1984 in the UK. The song is written by David Flett and Guy Fletcher. It first appeared on Richard’s 1983 album Silver and in the UK became the third single lifted from the album. During the single’s 6-week run on UK Singles Chart, with Ocean Deep as the B-side, it peaked at number 27.

In some markets such as Germany, Australia and The Netherlands, the song was the second single lifted from the Silver album. This single was released in late 1983 and had a different B-side, “Back in Vaudeville” (a non-album track).

Shortly after the single’s original release, fans lobbied the record company to release the B-side, Ocean Deep as the A-side. Several disc-jockeys also insisted on playing Ocean Deep instead of the A-side. This eventually mounted enough pressure on EMI Records to release “Ocean Deep” as the A-side. A new picture cover was created for the single pro football socks, but the release simply reused the same catalogue number and relegated an extended mix of “Baby You’re Dynamite” to the B-side.

“Ocean Deep” entered the chart at number 72 in May, three weeks after “Baby You’re Dynamite” had left the chart, but climbed no further in its three remaining weeks in the top 100 bag phone.

Côte des Capucins

Côte des Capucins är en kulle i Kanada. Den ligger i provinsen Québec, i den östra delen av landet, 800 km nordost om huvudstaden Ottawa. Toppen på Côte des Capucins är 120 meter över havet.

Terrängen runt Côte des Capucins är kuperad åt sydost, men norrut är den platt. Havet är nära Côte des Capucins åt nordväst. Den högsta punkten i närheten är 253 meter över havet, 1,2 km söder om Côte des Capucins. Runt Côte des Capucins är det mycket glesbefolkat, med 2 invånare per kvadratkilometer.. Närmaste större samhälle är Cap-Chat, 15 top bpa free water bottles,9 km nordost om Côte des Capucins. I trakten runt Côte des Capucins finns ovanligt många namngivna bukter.

I omgivningarna runt Côte des Capucins växer i huvudsak blandskog. Inlandsklimat råder i trakten. Årsmedeltemperaturen i trakten är 0 °C. Den varmaste månaden är augusti, då medeltemperaturen är 16 °C, och den kallaste är januari, med -17 °C. Genomsnittlig årsnederbörd är 1&nbsp football cleat socks;183 millimeter. Den regnigaste månaden är december, med i genomsnitt 127 mm nederbörd, och den torraste är mars, med 67 mm nederbörd.

VOC-Kamer Rotterdam

De VOC-Kamer Rotterdam was een van de zes Kamers van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), opgericht in 1602. De Rotterdamse afdeling leverde één bewindhebber aan de Heren XVII, het VOC-opperbestuur. De VOC-Kamer Rotterdam was belast met het uitvoeren van een zestiende deel van de handelsactiviteiten van de VOC.

De andere vijf Kamers waren die van Amsterdam, Middelburg, Delft, Hoorn en Enkhuizen.

Rotterdam was voor de oprichting al een belangrijke havenstad, mede omdat Amsterdam lange tijd Spaans was, en Rotterdam daardoor fors werd uitgebreid. Daarnaast vluchtten in 1585 na de blokkade van de Schelde veel Zuid-Nederlanders naar Rotterdam, waarbij ze een hoop kennis en kapitaal meenamen. Ook door de haringvisserij werd de stad belangrijker. Het geld dat hiermee verdiend werd, is gebruikt voor investeringen in de VOC. Tot en met het derde kwart van de 17e eeuw was Rotterdam na Amsterdam en Middelburg de belangrijkste havenstad van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Afgesproken werd dat Rotterdam één zestiende deel van de winst van de VOC kreeg. Dit was gunstig aangezien de stad niet evenredig veel kapitaal had ingelegd. De reden voor die relatief lage inbreng was dat de uit Rotterdam afkomstige concurrerende Magelhaense Compagnie bleef bestaan en veel Rotterdammers hadden daar al geld in geïnvesteerd. Daarnaast was ook veel kapitaal geïnvesteerd in onroerend goed.

Rotterdam stuurde drie schepen naar Indië tussen 1602 en 1609 en tot 1650 gemiddeld 1 schip per jaar. Deze schepen brachten niet alleen goederen mee voor Rotterdam maar ook voor de andere steden, net zoals Rotterdam ook goederen ontving van de schepen uit andere steden. De belangrijkste goederen die werden verscheept waren katoen, foelie, peper, kruidnagel en kaneel. De bouw van schepen werd in het begin uitbesteed aan particulieren, maar vanaf 1632 ging de Kamer-Rotterdam de schepen zelf bouwen.

Het is onbekend waar de bewindhebbers in de eerste jaren van het bestaan van de Kamer van Rotterdam hebben vergaderd. Waarschijnlijk was de vergadering beurtelings in hun eigen huis of huurden ze een ruimte. In 1623 hebben ze een huis, erf en pakhuis gekocht voor 21.750 gulden. Tegen het einde van de 17e eeuw was dit complex zo vervallen dat de bewindhebbers in het najaar van 1690 besloten een nieuw gebouw neer te zetten. In 1699 was het gereed en in 1720 kreeg het Oost-Indisch Huis, na uitbreiding en verbouwing, haar definitieve uiterlijk.

Aan de Boompjes in de stad Rotterdam was het vergaderhuis gevestigd – ook wel Oostindisch Huis genoemd. Over de vergaderingen en het functioneren van het bestuur is weinig bekend, omdat de archieven niet bewaard zijn gebleven. Door het ontbreken ervan is niet bekend hoe de positie van de bewindhebbers in Rotterdam verschilde met die in de andere steden.

De Rotterdamse Kamer heeft in haar bestaan 89 bewindhebbers gekend. Dit waren allemaal lieden uit de toplaag van de bevolking, veelal ook actief in het bestuur van de stad. Hierdoor waren de Kamer en stad nauw met elkaar verbonden.

Om te worden gekozen tot bewindhebber moest men ten minste vijfentwintig jaar oud zijn en minimaal 6000 gulden in de VOC hebben ingelegd. Dat geld was bedoeld als een borgsom en kon verbeurd verklaard worden bij onregelmatigheden. Niet veel Rotterdammers hadden zoveel geld en toen er steeds minder kandidaten kwamen voor de positie van bewindhebber, werd in 1647 de drempel verlaagd naar 3000 gulden.

Vanaf 1623 werd de groep van grote beleggers met 6.000 gulden en meer aan ingelegd kapitaal, ‘hoofdparticipanten’ genoemd. Er was geen enkele garantie dat men als hoofdparticipant ook automatisch bewindhebber werd. Dit was namelijk afhankelijk van het vrijkomen van een zetel, meestal gebeurde dit door overlijden. Als er een zetel vrijkwam, werden alle hoofdparticipanten binnen drie maanden op de hoogte gesteld van de vrije zetel. Als een hoofdparticipant interesse had in de zetel, moest hij worden voorgedragen door een kiescollege, dat drie personen nomineerde. Om gekozen te worden, was het belangrijk om de juiste mensen te kennen. Iemand die bewindhebber wilde worden, moest door drie selecties heen komen. Ten eerste de investering van 6.000 gulden (later 3.000), daarna de steun van de juiste mensen met veel geld en ten slotte de steun van de heren met beslissende politieke invloed. De steun kwam natuurlijk niet uit het niets, er moesten tegenprestaties zijn. Daarom was niet alleen rijkdom belangrijk, maar ook beroepsachtergrond, afkomst, betrokkenheid bij het stadsbestuur en natuurlijk religie. De Hervormde Kerk was de belangrijkste geloofsstroming en dat betekende ook dat een rooms-katholiek nooit een zetel in de Kamer kon krijgen. Hierop is een uitzondering gemaakt voor Johan van der Veeken omdat hij heel rijk was.

Over de taken van de bewindhebbers in Rotterdam zijn geen bronnen. Maar het was in ieder geval meer dan een functie op papier. Er bestonden drie commissies binnen de Kamer en daarin beheerde men de schatkist, deed men veilingen en bemande en bevoorraadde men de schepen empty water bottles. De bewindhebbers hadden een gevoelige post en ze mochten daarom ook niets zelf aan de VOC verkopen of leveren. Dit werd in de realiteit echter vaak achterwege gelaten. Als een schip vertrok of terugkwam hoorden de bewindhebbers aan boord verschillende controles te doen. Bij die controles werd gelet op de hoeveelheid toegestane goederen die de bemanning had meegenomen voor hun privéhandel. Als de tegenstaande hoeveelheid was overschreden werd het ingenomen door de bewindhebbers.

De plaats die de bewindhebbers hadden in Rotterdam, zorgde voor een grote bijdrage aan het Rotterdamse culturele leven. De bewindhebbers woonden in mooie panden en met de bouw en inrichting daarvan werden kunstenaars en ambachtslieden van werk voorzien. Daarnaast is er de portrettengalerij van de bewindhebbers en zijn er meer schilderijen in hun opdracht gemaakt. Van sommige bewindhebbers is zelfs bekend dat zij schilderijencollecties aanlegden, met daarin schilderijen van nu onbetaalbare meesters.

De Kamer heeft vanaf het begin een band gehad met het weeshuis in Rotterdam. Hierbij was liefdadigheid niet de enige reden. Het weeshuis werd steeds groter en had daardoor ook steeds meer geld nodig. Daarom was er een goed financieel beleid nodig en veel bewindhebbers voelden zich hierin thuis. In het begin gaf de Kamer soms toestemming aan enkele kinderen van het weeshuis om in dienst te gaan van de VOC, zo werd het weeshuis ontlast. Later werd het weeshuis een grotere bron van scheepsvolk.

De positie van de Kamer van Rotterdam binnen de VOC is moeilijk te bepalen. De afspraken binnen de Heeren 17 werden namelijk wel vastgelegd maar zonder aantekeningen over verschillende meningen van personen. Rotterdam was natuurlijk een kleine Kamer, helemaal vergeleken met Amsterdam. Maar er werd wel ruimte gegeven aan Rotterdam, dit is goed te zien aan de uitzondering die werd gemaakt voor Rotterdam om een paar reizen naar Indië te doen, buiten het VOC monopolie. Rotterdam heeft ook op een eigen manier schepen kunnen bouwen. Maar aan het eind van het liedje hebben de vastgelegde verhoudingen Rotterdam een begrensde invloed gegeven.

Eerder is al vermeld dat een kandidaat voor bewindhebber minimaal 6000 gulden aan actiën moest bezitten, later 3000 gulden. De marktwaarde hiervan lag echter veel hoger. De aandelen van bewindhebber Paulus Verschuer bijvoorbeeld, werden door hem zelf geschat op 500 procent van hun nominale waarde, dit is in de jaren 1649-1667. Men kan aannemen dat deze bewindhebbers echt rijk waren. Maar het is moeilijk om een inzicht te hebben in die rijkdommen, vanwege het gebrek aan bronnen uit die tijd.

Er is echter wel een bron waarmee de verhoudingen tussen de (kandidaat-)bewindhebbers en de rest van de inwoners van Rotterdam wordt getoond. Er was namelijk een belasting van 0,5 procent, iets wat elke inwoner van Holland over zijn vermogen moest betalen. Ook wel de tweehonderdste penning genoemd. Hiervan zijn bronnen bewaard gebleven van 1665 tot 1674 die betrekking hebben tot Rotterdam. En ook al zijn die gegevens ook niet altijd even betrouwbaar, er is wel uit gebleken dat de (kandidaat-)bewindhebbers wel tot de rijkere inwoners van Rotterdam hoorden, maar niet een uitzonderingspositie hadden.

Het is niet makkelijk om te verklaren waarom zich er in Rotterdam niet een aparte, veel rijkere klasse van bewindhebbers heeft gevormd. Een van de redenen kan zijn dat Rotterdam zich heel snel heeft ontwikkeld en daardoor rijkdom en aanzien niet alleen bij de kleine klasse van rijke families hoorde. Want in deze korte snelle groei periode waren de koopmannen en andere ambitieuze lieden erg welvarend. Vanzelfsprekend waren de bewindhebbers wel een klasse apart buy glass water bottle. Er werd daarom ook veel gedaan om een zetel in de Kamer te krijgen en als men een zetel had, stond het eigenbelang niet op de laatste plaats.

Gerrit IJsselstein

Gerrit (Gijs) IJsselstein (Leeuwarden professional soccer socks, 27 februari 1916 — Den Haag, 27 juli 2004) was een Nederlandse opperofficier der Intendance van de Koninklijke Landmacht.

IJsselstein begon in 1935 zijn militaire opleiding bij het wapen der Infanterie op de school voor Reserve Officieren. In 1938 ging hij over in actieve dienst en vocht in de dagen van mei 1940 aan de Maas bij Venlo. Tussen mei 1942 en 29 mei 1945 verbleef hij in Duitse krijgsgevangenenschap industrial fabric shaver. Tussen september 1946 en oktober 1949 vocht hij in Indonesië. Na een opleiding aan de Hogere Krijgsschool vervulde hij diverse functies op de Landmachtstaf en op 1 september 1967 werd hij Souschef Plannen. Na zijn bevordering tot brigadegeneraal op 1 maart 1968 volgde zijn bevordering tot generaal-majoor en de benoeming tot plaatsvervangend chef van de Generale Staf. Op 1 januari 1972 volgde zijn benoeming tot chef Generale Staf tevens bevelhebber der Landstrijdkrachten. Een jaar later stapte IJsselstein op als BLS als gevolg van de Generaalsruzie.

Luitenant-generaal IJsselstein had tijdens zijn militaire carrière een tal van onderscheidingen uitgereikt gekregen dortmund football shirt.

De dapperheidsonderscheiding Bronzen Kruis viel hem ten deel als reserve tweede luitenant der infanterie, verdiend tijdens de gevechten te Blerick bij de defensie van de Maas aldaar op 10 mei 1940.

Abd al-Malik ibn Marwan

Abd al-Malik ibn Marwan (Arabic: عبد الملك بن مروان‎‎ ‘Abd al-Malik ibn Marwān, 646 – 8 October 705) was the 5th Umayyad caliph. He was born in Medina, Hejaz, Abd al-Malik was a well-educated man and capable ruler who was able to solve many political problems that impeded his rule. The 14th-century Muslim historian Ibn Khaldun stated that “`Abd al-Malik ibn Marwan is one of the greatest Arab and Muslim Caliphs. He followed in the footsteps of `Umar ibn al-Khattab cheap original jerseys, the Commander of the Believers, in regulating state affairs”.

During his reign, all important records were translated into Arabic, and for the first time, a special currency for the Muslim world was minted, which led to war with the Byzantine Empire under Justinian II how to use a lemon press. The Byzantines were led by Leontios at the Battle of Sebastopolis in 692 in Asia Minor and were decisively defeated by al-Malik after the defection of a large contingent of Slavs. The Islamic currency was then made the only currency of exchange in the Muslim world. Also, many reforms happened in his time relating to agriculture and commerce. Al-Malik extended and consolidated Muslim rule, made Arabic the state language and organised a regular postal service.

Abd al-Malik spent most of his early life in Medina with his father. There, he developed useful relationships with the religious circles of the city. He studied Islamic jurisprudence under Umm Darda as Sughra in Damascus. At 16, he was given limited responsibilities by Muawiya II. In 683, he and his father were driven out of Medina by local rebels. On the way to Damascus, he crossed paths with the Syrian army, entailed with the task of ending the rebellion.

He was responsible for the giving of useful advice and information that helped to end that problem. His father was appointed to be caliph in 684 but only created a feud between the northern and southern Arab tribes.

Before his ascent to power, he was often found in the Mosque praying or reading the Quran to the extent that he was known as the ‘Dove of the Mosque’. However, shortly after receiving the news that he was to succeed the caliphate, he closed the Quran and said “Farewell, from now onwards we are to be separated from each other. Since it is now a question of government of the Muslims, I have no need for the din of Allah or the Quran”.

Abd al-Malik became caliph after the death of his father Marwan I in 685, amidst the ongoing Second Fitna. Within a few years, he dispatched armies on a campaign to reassert Umayyad control over the Islamic empire. He first defeated the governor of Basra, Mu’sab ibn al-Zubayr. In Iraq, he was facing three distinct groups (the Kharijites, Shi’a, and Abd-Allah ibn al-Zubayr and his followers) that were fighting amongst themselves and against Umayyad control. Al-Zubayr was the more dangerous of the three, as he had been named caliph in Mecca and other provinces were getting behind him. Abd al-Malik bided his time for three years while they weakened themselves. During this hiatus, al-Zubayr’s brother, Mus’ab, defeated the Shi’a in 687, which allowed them to commit a large force against the Kharijites.

Abd al-Malik then appointed one of his most able generals and administrators who would later change the face of the Umayyad Empire, al-Hajjaj bin Yousef to march against al-Zubayr, the now-governor of Hejaz. He was initially unsuccessful in 689, as he needed to return to Damascus to help quell a rebellion. Again, in 690, he met with failure. Only after the northern tribes had finally capitulated in 691 did success start. He defeated the weakened army of Mus’ab by bribing many of his soldiers to switch sides and kill their leader.

He then turned his attention to the caliph, al-Zubayr. It should be noted that al-Zubayr controlled a large majority of the empire outside Umayyad core in Syria and Egypt, and more importantly, controlled Mecca and Medina. Ibn-al Zubayr was a living sahabah of Muhammad who stood opposed to Umayyad rule. Hajjaj besieged Mecca in 692 with almost 12,000 Syrian troops. He advanced unopposed as far as his native Taif, which he took without any fighting and used as a base. The caliph had charged him first to negotiate with al-Zubayr and to assure him of freedom from punishment if he capitulated or, if opposition continued, to starve him out by siege, but on no account to let the affair result in bloodshed in Mecca. Since the negotiations failed and al-Hajjaj lost patience, he sent a courier to ask Abd al-Malik for reinforcements and also for permission to take Mecca by force. He received both and thereupon bombarded the Holy City using catapults from the mountain of Abu Qubays. The bombardment continued during the month of the Pilgrimage or Hajj.

After the siege had lasted for seven months and 10,000 men, among them two of Abdullah Ibn al-Zubair’s sons, had gone over to Hajjaj, Abd-Allah ibn al-Zubayr with a few loyal followers, including his youngest son, were killed in the fighting around the Kaaba (Jumadah I 73/October 692).

Hajjaj’s success led Abd al-Malik to assign him the role of governor of Iraq and give him free rein in the territories he controlled. Hajjaj arrived when there were many deserters in Basra and Kufa. He continually faced rebellions from the Kharijites but was always able to put them down. He promptly and forcefully impelled them to return to combat. Hajjaj, after years of serious fighting, quelled religious disturbances, including the rebellion launched by Salih ibn Musarrih and continued after Salih’s death by Shabib. The rebels repeatedly defeated more numerous forces and at their height entered Kufah. However, Abd al-Malik’s Syrian reinforcements enabled Hajjaj to turn the tide.

By 697, the Kharijites were no longer much of a problem. Under Hajjaj, Arab armies put down the revolt of Abd al-Rahman ibn Muhammad ibn al-Ash’ath in Iraq and Afghanistan from 699 to 704 and also took most of Turkestan. Abd al-Rahman rebelled after Hajjaj’s repeated orders to push further into the lands of Zundil. After his defeat in Iraq, again achieved through Abd al-Malik’s dispatch of Syrian reinforcements to Hajjaj, Abd al-Rahman returned east. There, one city closed its gates to him, and in another, he was seized. However, Zundil’s army arrived and secured his release. Later, Abd al-Rahman died and Zundil sent his head to Hajjaj, who sent it to Abd al-Malik. These victories paved the way for greater expansions under Abd al-Malik’s son Al-Walid.

Hajjaj decided that the best way to rule Iraq was to treat them as enemy territory. He built a new city, Wasit, which he used as a garrison city for his Syrian troops and also as his private residence.

He was effective in increasing the size of the empire. In Maghreb (western North Africa) in 686, a force led by Zuhayr ibn Qais won the Battle of Mamma over Byzantines and Berbers led by Kusaila, on the Qairawan plain, retaking Ifriqiya and its capital Kairouan.

In 695, Hasan ibn al-Nu’man captured Carthage with the help of the Berbers, and advanced into the Atlas Mountains. A Byzantine fleet arrived, retaking Carthage, but in 698 al-Nu’man returned and defeated Tiberios III at the Battle of Carthage. The Byzantines withdrew from all of Africa except Ceuta.

Hasan met trouble from the Zenata tribe of Berbers under al-Kahina. It inflicted a serious defeat on him and drove him back to Barqa. However, in 702, al-Malik strongly reinforced Hasan. Now with a large army and the support of the settled population of North Africa, Hasan pushed forward how to tenderize meat without a meat tenderizer. He decisively defeated the Zenata in a battle at Tabarka, 85 miles west of Carthage. He then developed the village of Tunis, 10 mi from the destroyed Carthage. Around 705, Musa ibn Nusayr replaced Hasan. He had pacified much of Northern Africa despite his failure to take Ceuta.

Relations between the Arabs and the Byzatines along their border in Anatolia had been calm since 680, with a truce largely holding up. Emboldened by success in his European provinces, however, Byzantine Emperor Justinian II managed by threat to augment the sum paid by the Umayyad Caliphs as an annual tribute, and to regain control of part of Cyprus. The incomes of the provinces of Armenia and Iberia were divided among the two empires. In 687, as part of his agreements with the Caliphate, Justinian removed from their native Lebanon 12,000 Christian Maronites, who continually resisted the Arabs. In 688, Abd al-Malik signed a treaty with Justinian II which rendered Cyprus neutral ground, with its tax revenue split. In 692, he resumed fighting in Anatolia and in that year Abd al-Malik fought and won the Battle of Sebastopolis mostly identified with Elaiussa Sebaste in Cilicia but also with modern Sulusaray). Initially looking like a defeat, thousands of the Byzantine Emperors Slavic troops defected, changing the tide of the fight. It was a crushing victory for Abd al-Malik, and ended the peace that had existed between the two powers since 680.

Abd al-Malik instituted many reforms such as:

He also built the Dome of the Rock in Jerusalem. The Muslim scholar al-Wasiti reports this event:

When Abd al-Malik intended to construct the Dome of the Rock, he came from Damascus to Jerusalem. He wrote, “Abd al-Malik intends to build a dome (qubba) over the Rock to house the Muslims from cold and heat, and to construct the mosque (masjid). But before he starts he wants to know his subjects’ opinion.” With their approval, the deputies wrote back, “May Allah permit the completion of this enterprise, and may He count the building of the dome and the masjid a good deed for Abd al-Malik and his predecessors.” He then gathered craftsmen from all his dominions and asked them to provide him with the description and form of the planned dome before he engaged in its construction. So, it was marked for him in the sahn of the masjid. He then ordered the building of the treasury (bayt al-mal) to the east of the Rock, which is on the edge of the Rock, and filled it with money. He then appointed Raja’ ibn Hayweh and Yazid ibn Salam to supervise the construction and ordered them to spend generously on its construction. He then returned to Damascus. When the two men satisfactorily completed the house, they wrote to Abd al-Malik to inform him that they had completed the construction of the dome and al-Masjid al-Aqsa. They said to him “There is nothing in the building that leaves room for criticism.” They wrote him that a hundred thousand dinars was left from the budget he allocated. He offered the money to them as a reward, but they declined, indicating that they had already been generously compensated. Abd al-Malik ordered the gold coins to be melted and cast on the Dome’s exterior, which at the time had such a strong glitter that no eye could look straight at it.

The two engineers Raja’ ibn Hayweh, from Baysan, and Yazid ibn Salam, a Jerusalemite, were ordered to spend generously on the construction. In his Book of the Geography, Al-Muqaddasi reported that seven times the revenue of Egypt was used to build the Dome. During a discussion with his uncle on why the Caliph spent lavishly on building the mosques in Jerusalem and Damascus, al-Maqdisi writes:

O, my little son, thou hast no understanding. Verily he was right, and he was prompted to a worthy work. For he beheld Syria to be a country that had long been occupied by the Christians, and he noted there are beautiful churches still belonging to them, so enchantingly fair, and so renowned for their splendour, as are the Church of the Holy Sepulchre, and the churches of Lydda and Edessa. So he sought to build for the Muslims a mosque that should be unique and a wonder to the world. And in like manner is it not evident that Caliph Abd al-Malik, seeing the greatness of the martyrium of the Holy Sepulchre and its magnificence was moved lest it should dazzle the minds of Muslims and hence erected above the Rock the dome which is now seen there.

Abd al-Malik’s first issue of coins replaced images with words, to appease aniconistic clerics. After this, the style became predominant on Islamic coins.

The last years of his reign were generally peaceful. He wanted his son al-Walid I to succeed him, ignoring his father’s decree that Abd al-Malik should be succeeded by his brother, Abd al-Aziz. However, al-Malik accepted advice not to create disturbances and so changed his mind. In the event, Abd al-Aziz died before Abd al-Malik, who then had his sons Al-Walid and Sulayman, in that order, accepted as heirs to the throne. To history, Abd al-Malik is known as the “Father of Kings”: his four sons succeeded him as the caliph one after another though with Umar II, son of Abd al-Aziz succeeding Sulayman. Abd al-Malik died at al-Sinnabra in 705.

Media related to Abd al-Malik ibn Marwan at Wikimedia Commons

Emmanuel Villanis

Vous pouvez partager vos connaissances en l’améliorant (comment ?) selon les recommandations des projets correspondants.

Si vous disposez d’ouvrages ou d’articles de référence ou si vous connaissez des sites web de qualité traitant du thème abordé ici, merci de compléter l’article en donnant les références utiles à sa vérifiabilité et en les liant à la section « Notes et références » (, comment ajouter mes sources ?).

Emmanuel Villanis, ou Emmanuel Villani, né à Lille le , et mort à Paris le , est un sculpteur français lié au mouvement de l’Art nouveau.

Emmanuel Villanis est issu d’une famille d’origine italienne. Dès 1861, ses parents regagnent l’Italie pour s’installer dans le Piémont. Il avait fui l’Italie car le guerre d’indépendance éclatait, sous la menace de Napoléon Bonaparte. En 1871, l’artiste s’inscrit à l’Académie des beaux-arts Albertina, à Turin ; il y suit l’enseignement du sculpteur Odoardo Tabacchi (1831-1905). Dès la fin de ses études, son maître le pousse à exposer : son buste Alda, par exemple, est présenté à Milan en 1881.

En 1885 cool glass bottles, Villanis s’installe à Montmartre, un quartier de Paris qu’il ne quitte plus. La renommée de l’artiste se construit sur sa production de figures féminines. Aida, Judith, Dalila football socks cheap, Lucrèce, Cendrillon : son œuvre rassemble les grandes héroïnes de l’opéra, de la littérature, de la mythologie et de la Bible. Villanis aborde également certains types — la Bohémienne, la Châtelaine, ou encore la Parisienne — et plusieurs allégories, dont La Peinture et La Sculpture.

Réalisées principalement en bronze, parfois chryséléphantines, ses sculptures portent subtilement la marque de l’Art nouveau, dont le lettrage du titre, qui orne régulièrement le socle. Son jeu sur les patines ajoute encore à la finesse du trait, faisant de Villanis un des sculpteurs majeurs de l’Art nouveau. En ce qui concerne la fonte des bronzes, il travaille principalement avec la Société des Bronzes de Paris et avec Eugène Blot amphipod running belt.

Exposé onze fois au Salon des artistes français entre 1886 et 1910, Villanis participe également à l’Exposition universelle de 1889 à Paris, et à celle de Chicago en 1903. Sa production a fait l’objet de nombreux faux ; beaucoup de copies circulent encore sur le marché de l’art à l’heure actuelle.

Triyoduro de nitrógeno

NFPA 704.svg

El triyoduro de nitrógeno o triioduro de nitrógeno es un compuesto inorgánico con la fórmula NI3. Se trata de un explosivo extremadamente sensible large glass bottles; pequeñas cantidades explotan cuando son tocadas ligeramente (incluso usando una pluma), liberando una nube irritante púrpura de vapor de yodo, incluso puede ser detonado por la radiación alfa. El NI3 posee una compleja química estructural que es difícil de estudiar debido a la inestabilidad de los derivados. Su punto de fusión empieza a los -20 ° C y este empieza a sublimar.

El triyoduro de nitrógeno fue caracterizado por primera vez mediante cristalografía de rayos X en 1990 cuando este fue preparado sin utilizar amoníaco. El nitruro de boro reacciona con monofluoruro de yodo en triclorofluorometano a -30 ° C para producir NI3 puro con un rendimiento bajo:

El NI3 es piramidal (C3v simetría molecular), como son los otros trihaluros de nitrógeno y amoníaco.

El material generalmente denominado “triyoduro de nitrógeno” se prepara mediante la reacción de yodo con amoníaco. Cuando esta reacción se lleva a cabo a bajas temperaturas en amoníaco anhidro; el producto inicial es NI3 · (NH3)5, pero este material pierde un poco de amoníaco con el calentamiento para dar el aducto 1:1 NI3 · (NH3). Este aducto fue descrito por primera vez por Bernard Courtois en 1812, y su fórmula se determinó finalmente en 1905 por Oswald Silberrad. Esta estructura de estado sólido consiste en cadenas de -NI2-I-NI2-I-NI2-I-… Moléculas de amoniaco se encuentran entre las cadenas. En la oscuridad, manteniéndose frío y humedecido con amoníaco, NI3 · (NH3) es más estable. Cuando el NI3 está seco se convierte en un explosivo altamente sensible y muy inestable que puede ser detonado incluso usando una pluma, esto causado a que la estabilización obtenida por el aducto con el NH3 es muy baja y una perturbación energética baja puede romper esta estabilidad, dando paso a la descomposición instantánea a NH3 hydration belt canada, I2, N2, todos en estado gaseoso. Se puede observar que pasó de un estado sólido a tres gases, lo cual muestra el por qué la reacción libera tanta energía en tan poco tiempo con una energía de activación muy baja.

La descomposición del NI3 se produce mediante la siguiente reacción:

Henrik Ludvig Sundevall

Henrik Ludvig Sundevall watertight bag, född 29 december 1814 på Högestad, Skåne underwater mobile phone case, död 27 oktober 1884 i Karlskrona, var en svensk sjömilitär, bror till zoologen Carl J. Sundevall och läkaren Fredrik Emil Sundevall.

Sundevall avlade 1835 officersexamen, tjänstgjorde därefter någon tid som matros dels på handelsfartyg, dels på amerikanska örlogsskonaren “Hamilton” och befordrades ombord på denna till underofficer. Efter ett och ett halvt års tjänst övergick han ånyo till handelsflottan samt kom 1840 hem och utnämndes då till sekundlöjtnant vid den svenska flottan. Efter att året därpå ha deltagit i den så kallade Oxehufvudska expeditionen till Buenos Aires tjänstgjorde Sundvall under fyra år vid svenska flottan ombord och i land samt som chef på postjakten mellan Ystad och Stralsund. Åren 1845–1847 var han i engelsk örlogstjänst samt blev 1847 premiärlöjtnant vid svenska flottan, men lämnade denna befattning 1854, sedan han två år tidigare inträtt i preussisk tjänst och där utnämnts till korvettkapten.

I preussiska flottan användes Sundevall huvudsakligen för att praktiskt utbilda den nydanade sjömanskåren. År 1855 förordnades han till chef för marinstationen i Danzig electric shaver balls, utnämndes 1856 till Kapitän zur See och var i tre år chef på preussiska fregatten “Thetis”.

Åren 1859–1862 var han chef för en eskader, bestående av de i Tyskland namnkunniga fartygen “Arcona”, “Thetis”, “Frauenlob” och “Elbe”, vilka i diplomatiskt och vetenskapligt syfte besökte Kina, Japan med flera länder. Expeditionen leddes av den preussiske diplomaten Friedrich Albert zu Eulenburg, som slöt “handels-, vänskaps- och sjöfartsfördrag” med Japan i januari 1861 och med Kina i september samma år. Med på expeditionen följde också den namnkunnige geologen Ferdinand von Richthofen, som besökte Kina och Ostasien för första gången.

Sundevall utnämndes till konteramiral 1863 och tog samma år avsked ur den preussiska tjänsten och återvände till Sverige. Han var hedersledamot av örlogsmannasällskapet (1864).

Mengistu Haile Mariam

Mengistu Haile Mariam (መንግስቱ ኃይለ ማርያም, uttales [məngɨstu haylə marjam]) (født 1937) er en etiopisk militæroffiser og politiker. Han var den mest fremstående offiser i Derg, den marxistiske militærjuntaen som styrte Etiopia fra 1974 til 1987. Fra 1987 til 1991 var Mengistu Haile Mariam president i Den demokratiske folkerepublikken Etiopia.

Mengistu var opprinnelig en av de mindre viktige blant offiserene som grep makten og styrtet keiser Haile Selassie I. Etter statskuppet i 1974 ble han sendt fra Harar til hovedstaden Addis Abeba for å representere Tredje divisjon

Chile Away Jerseys

Chile Away Jerseys

BUY NOW

$266.58
$31.99

, men maktet i tiden fra juli til september 1974 å bli et av de mest innflytelsesrike medlemmene av Derg, gruppen av nye militære makthavere. Mengistu anses som en hovedmann bak den etiopiske røde terror i årene 1977 til 1978, da det ble satt i verk en undertrykkelseskampanje mot medlemmer av Etiopias revolusjonære folkeparti og opposisjonelle fra andre partier.

Etter et langvarig opprør mot hans styre måtte Mengistu oppgi makten og i 1991 flyktet han til Zimbabwe. Han har fortsatt tilhold der washington football uniforms, til tross for at en etiopisk domstol in absentia har funnet ham skyldig i folkemord.

· · · · ·